Carola van Dijk is onze vaste steun-en-toeverlaat als het om teksten gaat. Ze toog voor ons naar het congres Cultuur in Beeld van het ministerie OC&W in Den Haag. Ze doet in opdracht van de PVC verslag en beschrijft het pijnpunt van het huidige cultuurbeleid: “Ondernemen zonder inkomen op een markt zonder marktwerking.” Over instellingen, over de BIS en over de kleine kunstenaar.

Idealistische vergezichten en tegenstrijdige verwachtingen op het congres Cultuur in Beeld

Waarschijnlijk is het jaarlijkse OCW-congres Cultuur in Beeld het enige evenement waar een serieuze gelegenheid tot netwerken resoluut onmogelijk wordt gemaakt door een optreden van Japanse trommelaars. Ziehier het pijnpunt van het huidige cultuurbeleid in een notendop: de wrijving tussen idealisme en pragmatiek. Cultuur in Beeld is de gelegenheid bij uitstek om je te laten informeren over prangende kwesties in de cultuursector, van gedachten te wisselen met collega’s en op de hoogte te blijven van het huidige cultuurbeleid. Dit jaar stond het congres bol van de spannende termen en hooggespannen verwachtingen van de rol van de kunstenaar in de samenleving. Helaas ontbrak de tijd en de diepgang om na te denken over de praktijkvoering hiervan. Het gevolg was een bijeenkomst waarbij beleidsmakers de andere aanwezigen vertelden wat hun plannen zijn, terwijl een Japanse drumband elke discussie bij voorbaat uitsloot. Om toch even aandacht te besteden aan enkele opvallende tegenstrijdigheden in het cultuurbeleid zoals afgelopen maandag 14 december gepresenteerd op het congres, zet ik die hier even op een rijtje.

BIS tegenover de kleine artiest

Volgens minister Bussemaker is het de taak van de kunstenaar als cultureel ondernemer om leven te blazen in een regio en daar economische bedrijvigheid te genereren. Bovendien moet hij, volgens hoogleraar Urban Futures, Maarten Hajer, als innovatief visionair door middel van experiment toekomstscenario’s in beeld brengen waar we de samenleving van de toekomst op kunnen bouwen. De nadruk lag tijdens het congres volledig op de kleinere kunstenaars en instellingen om dit waar te gaan maken, terwijl de overheid niet van plan is in deze doelgroep te investeren. Over de BIS, het geheel van structureel gesubsidieerde instellingen, werd niet gesproken. Hoewel het op het congres dus leek alsof de prioriteit qua beleid nu ligt bij de kleinere culturele instellingen en ondernemingen, vertellen de geldstromen zoals die sinds 2013 verdeeld zijn een heel ander verhaal. Met het afnemen van publieke fondsen en financiële regelingen voor individuele kunstenaars lopen we dientengevolge tegen een nieuwe tegenstrijdigheid aan.

 

Ondernemen zonder inkomen…

Als startend ondernemer kun je meestal rekenen op een financieel steuntje in de rug van toeschietelijke financiers. Daarbij is het echter van belang dat je een kloppend business plan kan laten zien, waar duidelijk in staat wanneer je winst gaat boeken en hoeveel. Een artistiek plan zit zo niet in elkaar. Er moet ruimte zijn voor experiment, inspiratie, proberen, falen en opnieuw proberen. Bovendien is er is nauwelijks garantie op inkomsten uit de voltooide werkzaamheden. Gelukkig zijn er in het kader van Cultuur + Ondernemen revolverfondsen opgericht, die leningen verstrekken aan cultureel ondernemers, maar ook deze leningen moeten uiteindelijk worden terugbetaald. Dit betekent toch dat de onderneming winstgevend moet zijn. Maar hoe maak je cultuur winstgevend in economische zin, wanneer men niet gewend is de waarde die cultuur oplevert in geld uit te drukken?

…op een markt zonder marktwerking

Een onderneming kan alleen zakelijk succesvol zijn bij gratie van een goed functionerende marktwerking. Het lijkt er echter op dat er geen klassieke marktwerking plaatsvindt wanneer het om culturele producten gaat. Hoe betaal je voor een abstracte, toegevoegde waarde aan je levenskwaliteit? De effecten van cultuur zijn ook moeilijk te kwantificeren, zodat deze toegevoegde waarde lastig te vertalen is naar een financiële vergoeding. Zodra in de cultuursector de wet van vraag en aanbod in zou gaan, verdwijnt de artistieke waarde uit de sector, omdat dan het publiek zou worden bediend in plaats van verrast, uitgedaagd of gestimuleerd. Er kan in de cultuursector dus haast niet gesproken worden van een gezonde marktwerking zonder de integriteit van het product in twijfel te trekken. Deze artistieke integriteit plaatste de cultuursector traditioneel gezien boven verdenking van belangenverstrengeling. Ook hierop heeft zakelijke professionalisering van de sector invloed.

Belangeloos economisch

Minister Bussemaker vindt cultuur nog steeds de manier bij uitstek om mensen samen te brengen, los van hun individuele belangen. Wanneer het middel echter gekocht kan worden, is het doel nooit belangeloos behaald. Als onderdeel van het economisch systeem verliezen cultuurproducten hun relatieve autonomie, omdat voldaan moet worden aan de wensen van de opdrachtgever. Cultuur is dan niet meer in staat om onbevangen te reflecteren en nieuwe perspectieven op de wereld te bieden. Het is dan verworden tot een product dat resultaat moet leveren, omdat daar nu eenmaal voor is betaald. Ook het experiment, het handelen zonder duidelijk doel voor ogen, wordt op deze manier aan banden gelegd.

Experimenteren binnen bestaande kaders

Experiment en verbeeldingen (ultieme kenmerken van de kunst als esthetische handeling) dienen volgens de minister twee heel specifieke doelen: bevolkingsgroepen verbinden ten behoeve van integratie en nieuwe technologische realiteiten verkennen zodat de samenleving efficiënter kan worden ingedeeld. Nu cultuurproducten zo in het keurslijf van het economische systeem worden gedrukt, mag je je terecht afvragen of dit de functie van cultuur corrumpeert. Minister Bussemaker vindt dat de cultureel ondernemer zijn plek moet verdienen binnen het economisch systeem en tegelijk ruimte moet vinden om te experimenten en innovatief te zijn, terwijl dit logischerwijs juist één van de laagste prioriteiten zal zijn wanneer je als voornaamste doel hebt om inkomen te genereren en jezelf als sterk merk in de markt te zetten.

Gelukkig zijn er ook enkele veelbelovende zaken te melden. Zo wordt er in opdracht van het ministerie gewerkt aan een onderzoek naar de standaardisering van richtlijnen voor kunstenaarshonoraria, die een vaster inkomen moeten garanderen voor cultureel ondernemers. Een dergelijke stap maakt het cultureel ondernemerschap al wat aannemelijker. Misschien heeft de Romantisch kunstenaar zijn tijd wel gehad en is het tijd om de l’art pour l’art op te bergen op zolder. Maar voor we een toepasbaar nieuw model hebben voor de cultuursector, wil ik die stap nog niet wagen.